Krantenartikel Nieuw Utrechtsch dagblad 04-12-1954
Herinneringen die gelukkig tot het verleden behoren.
Er woonden hoofdzakelijk beste, brave mensen, maar ook een paar ruwe klanten, die het met de wet niet nauw namen en die de buurt berucht hebben gemaakt. Over hen wordt in dit artikel niet gesproken, wél over de manier waarop men omstreeks 1920 bij de Roodebrug leefde. Men zal kunnen begrijpen dat wij om bepaalde redenen een aantal namen achterwege moesten laten. Even voor de hand liggend is het dat dit verhaal lang niet volledig is. Als een echte „Roodebrugger” over zijn buurt gaat vertellen, zal men nog andere dingen horen, sterkere staaltjes, maar die lenen zich niet voor publicatie. De Roodebrug is nu een ordentelijke buurt geworden, waar men hard werkt en waar, mede dankzij uitstekende initiatieven van de buurtvereniging, een goede onderlinge vriendschap bestaat. Er is dus veel veranderd, maar er is ook veel gebleven.
In het centrum van de wijk Hogelanden, ten westen van de spoorlijn Utrecht-Amersfoort, vindt men de Roodebrug, die zijn naam zeker niet heeft gekregen door zijn kleur, die immers knalgeel is. Zó ongeveer begint het verhaal, dat voor ons blad werd geschreven in vervolg op de serie herinneringen aan Wijk C en „De Zeven Steegjes”. Vandaag wordt verhaald van de directe omgeving van de Roodebrug, die lang geleden geel was. U moet dit van de schrijver van ons artikel aannemen. Hij woonde toen al in deze buurt.
De Roodebrugbuurt had een slechte naam in die dagen.
Benenkluivenfabriek Wed. P. Smits en Zn. In de volksbond de „benenkluif ” De fabriek stond midden in de Hogelanden en nergens in heel Utrecht is men beter op de hoogte van de onwelriekende geur, die er verspreid wordt, dan daar. Zelfs nu er allerlei technische verbeteringen zijn aangebracht, heeft men er nog gedachten over Een jaar of dertig geleden stond de fabriek er ook al. Er werd toen gezegd dat wanneer de fabriek door brand verwoest zou worden, zij niet meer opgebouwd zou worden. Eerlijk gezegd, er waren Roodebruggers die stilletjes hoopten dat er brand zou komen. Toen er jaren later inderdaad een felle brand uitbrak, werd de fabriek keurig hersteld. De Rooderuggers hebben aan dezelfde fabriek echter ook veel te danken, velen vonden er een werkkring en in de wijk wonen tal van arbeiders, die er de pensioengerechtigde leef-tijd bereikten.
Station Roodebrug. Als men vroeger van de benenkluif in de richting van de Roodebrug wandelde, kwam men bij een overweg in de al eerder genoemde spoorlijn. Vroeger stond daar een klein houten huisje, waarin de overwegwachter woonde. Er waren ook een paar perrons, want toen stopten daar nog locaaltreinen. Aan de ene kant van deze perrons was een spoorbrug over de Vecht, die met de hand moest worden geopend, en als men de overweg passeerde, kwam men op de hoek van de Hogelanden en de Hoogstraat. Daar stond destijds een ziekenhuis. Dat was speciaal ingericht voor lepralijders. Menige Roodebrugger had die dagen de goede gewoonte om de zieken dagelijks een groet te brengen. Nog verderop stond een dakpannenbakkerij, ook hier werkten veel Rodebruggers. Ze hadden er een zware en vermoeiende arbeid. Net als de benenkluif had de pannenbakker zo ook zijn nadelen, vooral als er blauw gestookt werd. Dan regende het roet op de wijk en menigmaal moest moeder de vrouw haar was opnieuw in het sop zetten.
Pannenbakkerij. Tegenover de pannenbakkerij lag toen een groot stuk grond braak.Tussen de achterzijde van de huizen Hoogstraat, Pijlstraat, Loevenhoutsedijk en Anthoniedijk lag een open vlakte. Het werd door de buurtbewoners gebruikt als een soort privé-gemeentereiniging. Wat je kwijt wilde, bracht je naar het stuk grond. Je vond er potten en pannen, oude kachels, ledikanten, matrassen, enfin, noem maar op. Als een Roodebrugger overhoop lag met een buurtgenoot, gebeurde het weleens dat hij een karrenvracht van die oude rommel in de achtertuin van zijn tegenstander smeet. Op het stuk grond moet heel lang geleden een viltrioolfabriek hebben gestaan. Later zijn in de opening aan de Anthoniedijk huizen gebouwd, zodat het terrein gesloten was. De ingang was op de Loevenhoutsedijk. Dat noemden ze de hollen. Het terrein lag vol met zand- en kleihopen. Gaande door de Hoogstraat in de richting van Loevenhoutje passeerde men een gedeelte waarin veel neringdoenders woonden. Daar had je de klopper, de karrenverhuurder, de aflezers, de water- en vuurvrouw en veel snoepwinkels. Iets verderop was de grens der gemeente. Hier stond een poldergemaal, dat het waterpeil in de polder regelde.
Stropers. Stropen in de polder deed elke rechtgeaarde Roodebrugger, die opleeft als hij het over die polder gaat hebben. In de tijd waarover ik nu spreek, was het stropen een zeer geliefkoosde bezigheid in deze buurt. Stropen zat de Roodebrugger in het bloed. In de polder kon hij zijn gang gaan. ’s Avonds of in de nacht trok hij er met licht op uit. Er was wild en gevogelte genoeg. Overdag probeerde men mollen te vangen. De velletjes brachten, als ze gedroogd waren, meestal een redelijke prijs op. Stropen was echter een riskante bezigheid. De politie hield voortdurend toezicht op de polder en menigmaal werden stropers betrapt. Het is meer dan eens voorgekomen dat er een ware veldslag geleverd werd. Helaas is het ook gebeurd dat stropers zowel als politiemannen van de vuurwapens gebruikmaakten en er slachtoffers vielen. De jeugd van de Roodebrug haalde nou ja, haalde ... zijn appels bij de boeren in de polder. Het is eens gebeurd dat boer Bouwman, die al vaak ongewenst bezoek had gehad, in een hinderlaag ging om appeldieven te grijpen. Maar de jongens zagen hem en zetten het op een lopen. Boer Bouwman begon een achtervolging en haalde de knapen met open ogen in. Toen hij ze wilde grijpen, sprongen de jongens ten einde raad in de wetering. Maar geen van hen kon zwemmen. Boer Bouwman had geen andere keus dan in het water springen om zijn kwelgeesten te redden. De afstraffing die hij in zijn gedachten had, heeft hij toen maar achterwege gelaten.
Naar de Draaiweg!
De jeugd van de Roodebrug bestond in die dagen heus niet uit lieverdjes. Als ik terugdenk aan de vechtpartijen van die dagen, zie ik nog de stoet jongens voor me, die erop uittrok om een lekker robbertje te gaan vechten met knapen van de Draaiweg of het Zwartewater. Van latten waren sabels gemaakt en van dik touw zogenaamde Turkse knopen. Een van de jongens was aanvoerder en droeg de verantwoordelijkheid voor het welslagen van de „strafexpeditie”. Het ging er zo warm aan toe, dat de ouderen het wel uit hun hoofd lieten om in te grijpen. Bij dergelijke vechtpartijen stond de eer van de buurt op het spel. En wee de knaap die niet meedeed of zich midden in het gevecht uit de voeten maakte! Dan kon hij op een flink pak slaag van zijn makkers rekenen. Het is te begrijpen dat de jeugd in die dagen voor galg en rad opgroeide. Gelukkig kwam er een keer ten goede, dankzij de onderwijzers van de lagere school aan de Draaiweg, die ijverden voor een beter soort vrijetijdsbesteding. Een van de onderwijzers woonde in de Hoogstraat. Meestal wist hij al van tevoren of er iets broeide. Als dat het geval was, werd op school zo veel strafwerk gegeven, dat geen der knapen die dag de deur nog uit kon!
Stadszending TN:
Die dagen vestigde de Stadszending zich in de Hoogstraat BU. De bedoeling was de jeugd zo veel mogelijk van de straat te houden. Op verscheidene avonden in de week was er gelegenheid tot handenarbeid en ’s zondags was er na de middagmaaltijd een jeugddienst, die toen onder leiding stond van de heer Hoek. Het toeval wilde dat deze heer Hoek een zeer lange baard had en het was te verwachten dat de kwajongens hem daarmee zouden plagen. Dat gebeurde danig. Na enige tijd weigerde de heer Hoek nóg langer de jeugddienst te leiden en staakte de Stadszending haar werkzaamheden in deze buurt. Er is nog geprobeerd iets voor de jeugd te doen in de kleine kerk, 'Het Silo' genaamd, die voor in de Hoogstraat stond. Maar ook dit had geen succes. Zonder de goede Roodebruggers uit die dagen te willen na te komen, moet toch gezegd worden dat de baldadigheid toen de spuigaten uitliep. De buurt had een zeer slechte naam en wanneer je in de stad aan iemand vertelde dat je van de Rodebrug kwam, moest men niet al te veel van je hebben. „Het is daar niet pluis”, werd er gezegd. Maar men mag niet vergeten dat de maatschappij zelf schuld had aan wat er gebeurde.
Het ontbrak aan voldoende toezicht van hogerhand. De weinige agenten die toen bij de Roodebrug kwamen, kende men van naam en toenaam, hetgeen wel gunstig was voor een goede verstandhouding, wat buurtbewoners al te familiair maakte met de „dienders”. De verlichting in de wijk was in die dagen beslist onvoldoende en de duisternis bood allerlei gespuis volop gelegenheid dingen te doen die het daglicht niet kon verdragen. Men moest, als eerlijk man, niet proberen hulp te vragen aan de politie, als dat nodig was, want dan kon je prompt een represaille verwachten.
Feilen en treffen: De Roodebrug was berucht om de gelegenheid tot dobbelen, die er altijd was. „Feilen en treffen” werd gespeeld met drie stenen. Het ging steeds om geld. Het waren heus niet alleen Roodebruggers die er aan deelnamen. Ook van elders in de stad kwam men naar deze buurt. Tekenend was, dat het steeds dezelfden waren. Soms speelden zich heftige tonelen af, vooral als de een of ander meende, dat er vals werd gespeeld. Denkt u vooral niet, dat „feilen en treffen”een onschuldig spelletje was. Meer dan eens is het gebeurd, dat de een of andere neringdoende al' zijn handelsgeld verloor. Als dat gebeurde had de verliezer het twijfelachtige voorrecht een paar borrels te mogen opnemen van de winnaar. Dit gebeurde niet in het verborgene, maar midden op straat. Wel was er een politiepost aan de Roodebrug, maar die was slecht bezet. Bovendien moesten de agenten te voet surveilleren. Bij de dobbelaars in de buurt stond altijd een uitkijk, die een vergoeding kreeg. Wanneer hij een agent zag naderen, waarschuwde hij de dobbelaars, die dan een goed heenkomen zochten. Op Zaterdagavond, als de drank in de man was, was er altijd wel ergens een vechtpartij, waarbij het mes getrokken werd. De politie kwam er vaak aan te pas en het was helemaal niet ongewoon, dat met de sabel rake klappen werden uitgedeeld.
Plezier op straat, maar gelukkig was niet elke Roodebrugger een dobbelaar of een messentrekker, dat spreekt vanzelf. Tallozen waren de rechtschapenheid zelve, hardwerkende, meestal arme mensen, die in hun wijk een grote onderlinge vriendschap demonstreerden. Wat kon het er niet leuk aan toe gaan als het draaiorgel kwam en alle vrouwen uit de huizen kwamen om een walsje te maken. Niet zelden gebeurde het dat zij met het draaiorgel meeliepen naar de volgende straat om het daar nog eens dunnetjes over te doen. Voor ’t plezier in de wijk zorgde in die dagen ook al de buurtvereniging Hogelanden”. De vereniging had een eigen muziekcorps, de Bazuin” genaamd, dat per jaar twee hoogtijdagen had: Hemelvaartsdag en het jaarlijkse buurtfeest. Op Hemelvaartsdag ging iedere Roodebrugger, die op tijd zijn bed uit kon komen, mee dauwtrappen. „De Bazuin” zette in alle vroegte een pittige mars in, de Roodebruggers stelden zich achter ’t corps op en gezamenlijk liep men naar De Bilt, Groenekan en dan terug. Men kwam nooit gezamenlijk terug. De Roodebruggers werden maar al te vaak dorstig van het wandelen en de droge kelen werden op de terugweg hier en daar gesmeerd. Als tenslotte laat in de middag iedereen in de wijk terug was, kon men er staat opmaken dat het feest nog niet afgelopen was. Ook op het buurtfeest kwam „De Bazuin” in volle actie. Eerst was er ’s morgens om zeven uur een reveille. Daarop volgde dan al meteen een kleine rondgang door de buurt. In de middaguren begon het feest pas goed. Er waren kinderspelen, waaraan iedereen deelnam. Het buurtfeest eindigde officieel tegen middernacht. Maar in de huiskamers duurde het vaak tot de volgende
Oudejaarsnacht. De Roodebruggers, of ze lid waren van de buurtvereniging of niet, kenden nog een jaarlijks evenement: Oudejaarsnacht. Als de klok twaalf sloeg, luidden ze het nieuwe jaar in met zo veel mogelijk lawaai. Dat veroorzaakten ze niet met rotjes of ander vuurwerk, maar met carbid en met jachtgeweren. De stropers schoten lading na lading de lucht in. U kunt begrijpen dat iedereen in de wijk wist wie stroper was! De jeugd experimenteerde met carbid in blikken of zelfs in bussen. De explosies waren soms zo hevig dat tal van ruiten het moesten ontgelden. De politie probeerde er wel wat tegen te doen, maar in het donker konden de „dienders” niet veel beginnen. De jeugd verschanste zich soms op nog geen vijf meter van de zoekende agenten en bracht dan opnieuw een donderbus tot explosie, hetgeen niet alleen een geweldige knal, maar ook een reusachtige steekvlam veroorzaakte. Als een van de belhamels gepakt werd, moest hij mee naar het celletje in het politiebureau aan de Roodebrug. De andere knapen trokken dan in optocht naar de politiepost en hieven daar de meest honende liederen aan, die u zich kunt voorstellen.
Mobiele brigade is tenslotte aan de weldenkende Roodebruggers te danken geweest dat de wijk zijn slechte naam ging verliezen. Keer op keer werden de autoriteiten gewezen op de misstanden. Het eerste resultaat was dat de bezetting van de politiepost Roodebrug werd versterkt. Er kwamen agenten, die onbekenden waren voor de buurt en die al spoedig bewezen hun mannetje te staan. Bovendien werden deze agenten uitgerust met rijwielen: de eerste mobiele brigade! Levendig herinner ik me de zondag dat twee agenten de wijk in fietsten en zich opstelden bij de plek waar men meestal zat te dobbelen. Rustig wachtten zij de gokkers op, die na verloop van tijd naar hun geliefkoosde plekje kwamen. „Wachten jullie maar even”, zeiden de agenten. Toen er behoorlijk wat dobbelaars om de agenten heen stonden, zei een hunner dat ze speciaal naar de Roodebrug waren gekomen om, koste wat het kost, een eind te maken aan het feilen en treffen. Gaat het niet goedschiks, dan maar kwaadschiks, maar ik garandeer jullie dat we binnen veertien dagen de hele buurt op de knieën hebben”, werd er gezegd. De Roodebruggers namen dat met een korreltje zout. Het zou wel een storm in een glas water zijn, dachten ze. Maar het tegendeel was waar. Nu er per rijwiel gesurveilleerd werd, konden de agenten de uitkijkposten verrassen en de dobbelaars, als ze op de vlucht sloegen, achterhalen. Geld en stenen werden in beslag genomen; de rechter kwam er zelfs aan te pas. Moest er gevochten worden, dan werden rake klappen uitgedeeld.
Binnen veertien dagen was het inderdaad uit met het dobbelen bij de Roodebrug. Een nieuwe dobbelbaan werd ingericht op de St. Anthoniedijk, vijfhonderd meter van de oorspronkelijke plaats, net buiten de gemeente Utrecht. Eerst stond de gemeentepolitie machteloos, maar er werd een vorm van samenwerking gevonden met de rijkspolitie en al spoedig was ook hier het kwaad bezworen. Straatschenderijen kwamen uit vrees voor de politie steeds minder voor. De goeden onder de Roodebruggers, de buurtvereniging, en goedwillende lieden uit andere gedeelten van de stad, gingen aan het werk om de jeugd van de Roodebrug voor het kwaad te behoeden. Langzamerhand kwam er een keer ten goede. Er is nu een enorm verschil met de tijd van dertig, veertig jaar geleden. De Roodebrug is niet berucht meer; het kwaad is er lang uitgeroeid. Er was een prachtig jeugdhuis, waarin de jongens en meisjes zich iedere avond op zeer nuttige wijze bezighouden met handenarbeid, sport en spel. De buurtvereniging die nog bestaat, deed en doet nog veel en nuttig werk. De vereniging bevordert de vriendschap der buurtgenoten en ijvert voor allerlei voorzieningen die de mensen van de Roodebrug ten goede komen. Zij organiseert nog steeds het jaarlijkse buurtfeest, maar dan gaat het er heel wat rustiger aan toe dan vroeger. De wilde jaren van toen zijn gelukkig voorbij.
Platte grond Roode Brugbuurt in het jaar 1887. In het midden de eerste woningen van de Loevenhoutsedijk, Hoogstraat en Pijlstraat.
Maak jouw eigen website met JouwWeb