De vroege geschiedenis.
Van platteland tot onderdeel van de stad. (boekje Roode Brugbuurt)
De rivier de Vecht speelde een belangrijke rol in de ontwikkeling van de Roode Brugbuurt. Ruim voor de jaartelling is deze rivier ontstaan als een noordelijke aftakking van de Rijn. De Vecht was een bochtige rivier; door menselijk ingrijpen zijn de vele bochten in de loop van de tijd verdwenen.
Lange tijd diende de Vecht als belangrijke route van en naar het noorden. Vanuit Utrecht gaf de rivier via het Almere, de voorloper van de Zuiderzee, onder andere toegang tot landen rond de Oostzee.
Voor zowel de Romeinen als Vikingen bleek deze verbinding zeer gunstig te zijn. Zo ondernamen de Romeinen al verkenningstochten over de Vecht. Vele eeuwen later voeren de Vikingen met hun drakenschepen de rivier op om te plunderen, waaronder Utrecht in 857.
In de 10e eeuw was het grootste gevaar van de Vikingen geweken. Niet langer geteisterd door deze Noormannen en dankzij de ondergang van concurrent Dorestad (nabij het huidige Wijk bij Duurstede) groeide Utrecht. De Vecht werd steeds belangrijker: goederen en grondstoffen werden over de rivier vervoerd.
Om via de Vecht goed bereikbaar te blijven, moest de stad wel wat aanpassingen doen. De vele bochten vormden een belemmering voor het scheepsverkeer. Daarbij verzandde de rivier op verschillende plekken, onder andere bij het huidige Ondiep. (vandaar deze naam) In 1338 werd daarom aansluitend op de Oude Gracht, tot ongeveer de plaats van de huidige Roode Brug, een recht kanaal getrokken, waardoor een grote bocht van de Vecht werd afgesneden.
In de 17e eeuw ging de Vecht deel uitmaken van een trekvaartstelsel. Op een trekvaart werd een boot getrokken door een paard dat langs de oever werd geleid door een jager Op de oever lag daarvoor een jaagpad. De Jagerskade bij de Roodebrug dankt daar zijn naam aan.
Er vertrok uit Utrecht onder andere drie keer per dag een trekschuit naar Amsterdam. Met een gemiddelde van 7 kilometer per uur was de reistijd zo’n 7 uur. De reistijd werd minder toen in de 18e eeuw de vliegende trekschuit of schietschuit werd geïntroduceerd. Deze werd door twee paarden getrokken, met rond de 10 kilometer per uur.
Het vervoer per trekvaart kwam na 1850 ten einde door de opkomst van de schroefstoomschepen en de spoorwegen. Vanaf dat moment nam ook het belang van de Vecht als handelsroute af, want de rivier bleek niet geschikt voor de steeds groter wordende schepen. Na de aanleg van het Merwedekanaal is de Vecht vooral een recreatieve vaarroute geworden.
Wanneer de Roode Brugbuurt voor het eerst werd bewoond, is niet precies bekend. In 2006 werd langs de Anthoniedijk, de Vinkenkade en de Loevenhoutsedijk archeologisch onderzoek uitgevoerd. Het overgrote deel van de vondsten was niet ouder dan 14e-eeuws. Slechts twee scherven aardewerk bleken van voor die tijd te zijn. Deze scherven kunnen een aanwijzing zijn dat er in de Romeinse tijd al sprake was van bewoning van de Rode Brugbuurt. Aangezien er in de directe omgeving geen Romeinse nederzettingen bekend zijn, en er tijdens opgravingen geen vergelijkbare sporen zijn aangetroffen die van vóór de 14e eeuw dateren, is dat allerminst zeker.
Alle andere vondsten die tijdens het archeologisch onderzoek werden gevonden, bleken 14e-eeuws of jonger te zijn. Er werden meerdere kuilen aangetroffen. Een aantal was gevuld met afval van aardewerkproductie, zoals misbaksels en gebroken aardewerk. In de directe omgeving geen Romeinse nederzettingen bekend zijn, en er tijdens opgravingen geen vergelijkbare sporen zijn aangetroffen die van vóór de 14e eeuw dateren, is dat allerminst zeker.
Alle andere vondsten die tijdens het archeologisch onderzoek werden gevonden, bleken 14e-eeuws of jonger te zijn. Er werden meerdere kuilen aangetroffen. Een aantal was gevuld met afval van aardewerkproductie, zoals misbaksels en gebroken aardewerk. In anderen zat voornamelijk tegelafval, zoals gebroken en afgekeurde tegels. De onderzoekers konden uit het gevonden materiaal concluderen dat er in de 14e en 15e eeuw potten- en tegelbakkers in de Roode Brugbuurt actief waren.
De grond langs de Vecht vormde een ideale locatie voor deze potten- en tegelbakkers. De klei die langs de rivier was afgezet, kon als grondstof worden gebruikt voor het vervaardigen van aardewerk en tegels. Ook zorgde de rivier voor een vervoersmogelijkheid. Zowel voor de aanvoer van de eindproducten als potten en tegels.
In die tijd lag de Rode Brugbuurt in het buitengebied van de stad. Nadat Utrecht in 1122 het stadsgerecht had gekregen, was rond de stad een stadswal aangelegd, die later vervangen werd door een stadsmuur. Het grondgebied van de stad was toen ongeveer gelijk aan dat van de huidige binnenstad binnen de singels. De grens tussen de stad en het buitengebied was duidelijk gemarkeerd.
Langs de Vecht, aan het begin van de St. Anthonisdijk, stond sinds 1435 het St. Anthoniegasthuys. Daar konden passanten zoals reizigers, zieken, zwervers en soms ook bejaarden onderdak vinden.
Het buitengebied werd de stadsvrijheid genoemd en was onderverdeeld in zestien buitengerechten. De Roode Brugbuurt lag binnen het buitengerecht Hogelanden, dat waarschijnlijk uit het begin van de 14e eeuw dateerde. De gerechten waren bestuurlijk zelfstandig, maar de stad had zich in de loop van de middeleeuwen wel een aantal rechten en bevoegdheden toegeëigend. De stad had een deel van de rechtspraak in handen en kon er belasting heffen.
Omstreeks 1541 werd een vaste brug over de Vecht gelegd. Omdat de aanleg heel wat gekost had en ook het onderhoud geld zou gaan kosten, moesten gebruikers tolgeld betalen. In de loop van de geschiedenis is de brug verschillende keren vernieuwd. In 1621 is de vaste brug vervangen door een ophaalbrug, omdat de bestaande brug te hinderlijk was voor het scheepsverkeer.
Binnen het buitengerecht Hogelanden lag een kleine nederzetting bij de Roode Brug. Langs de Vecht liep aan de oostkant, tegenwoordig liggen daar het Zandpad, Jagerskade en Vinkenkade. De bebouwing was voornamelijk gesitueerd aan de weg langs de Vecht; de rest van het grondgebied had grotendeels een agrarische functie. Landinwaarts lagen een aantal boerenerven, met op elk erf een boerderij met hooiberg. Daar stond ook herberg het Loevenhout.
Een enigszins opvallende verandering was dat aan de noordzijde van de buurt de Israëlische gemeente in 1807 een begraafplaats had ingericht, beter bekend als Jodenkerkhof.
Toen de grondbelasting werd ingevoerd, werd ieder perceel opgemeten en ook de eigenaar vastgesteld. Uit de gegevens blijkt dat huizen en landerijen in het bezit waren van onder andere schuitjagers, winkeliers, een pannenbakker en een scheepmaker.
In 1816 waren er zestien buitengerechten, verdeeld over vier nieuwe plattelandsgemeenten. De Rode Brugbuurt was binnen de gemeente Lauwerecht komen te liggen. De plattelandsgemeenten bleken echter geen succes; in 1823 werden ze bij Utrecht gevoegd.
Tegen het jaar 1900 werd een nieuwe woonwijk gebouwd in het gehucht Roode Brug en groeide het uit tot een arbeiderswijk met fabrieksarbeiders, bouwvakkers en grondwerkers. Maar er bleef ook nog ruimte voor de al bestaande bedrijvigheid, zoals kleine fabrieken en landbouw.
Platte grond Roode Brugbuurt in het jaar 1887. In het midden de eerste woningen van de Loevenhoutsedijk, Hoogstraat en Pijlstraat.
Maak jouw eigen website met JouwWeb