Jodenkerkhof Zandpad.

Door Albert van der Steen, achterkleinzoon van Kobus en Maria van het 'Jodenkerkhof'

De Israëlitische begraafplaats. Ook wel Joodse begraafplaats of Joods kerkhof genoemd, behoort tot de joodse gemeente. Het linkerhuis was het woonhuis van de beheerders. Het rechterhuis, de aula. In het midden kon de koets binnenrijden met de overledene. Rechts bevindt zich het lijkenhuisje, waar het lichaam zich bevond voordat het opgebaard werd. Mijn grootvader en zijn vader Kobus moesten met enige regelmaat een graf delven. Daar kwam al snel water in te staan en als de grote emmers niet meer pasten, moesten ze met kleine conservenblikjes zo snel mogelijk het water eruit scheppen.

Vaak vlak voor de begrafenis.

Mijn overgrootouders hebben dat gedaan tot 1940. Mijn overgrootvader, die uit een gezin met elf kinderen kwam, is op 85-jarige leeftijd overleden. Zijn naam was Kobus, of Jakobus, vernoemd naar een heilige. Mijn directe grootvader, Dorus (Theodorus), was een zoon. Zowel Kobus als zijn vrouw hebben vele kinderen verloren tijdens het leven en moesten vele malen verhuizen wegens gezinsuitbreiding en andere banen. Het was vaak mogelijk om via je werkgever een huis te huren, maar als het werk stopte, moest je zo snel mogelijk een ander huis zien te regelen.

Omdat hij niet naar het oud-katholieke seminarie wilde, stond mijn oom Kobus gepland, maar oom Kobus weigerde het stokje over te nemen. Op een gegeven moment kwam hij te werken bij de gasfabriek. Uiteindelijk werd hij operationeel machinist, waardoor hij als beheerder samen met zijn vrouw een gelukkig leven kon leiden. Hij heeft tot zijn 85e jaar gewerkt. In het laatste geval was het werk aan de Israëlitische Begraafplaats het minst zwaar en kon hij hier zijn eigen eten vergaren middels naastgelegen tuinen, waar ook kippetjes en een varkentje rondliepen. Dat waren nog eens tijden.

Daarnaast heeft hij diverse beroepen gehad. Veel contact hadden ze niet met de buitenwereld. Waren erg gericht op eigen terrein en overleven. Ze hadden een eigen moestuin en eigen kwekerijen. Dat wat nu de rioolwaterzuivering is, hoorde allemaal bij het land en daar werden groenten, fruit en bloemen verbouwd en geplant. Dit moest redelijk vaak rouleren om de grond vruchtbaar te houden. De Van der Steenstraat is naar hen vernoemd. Kobus en Maria hadden ook last van destijds criminele woonwagenbewoners, daarom hadden ze een list verzonnen.

Ze hadden ze wijs gemaakt dat er 's nachts geesten rondom het kerkhof rondzwierven en dat Goliath in hoogst eigen persoon mensen zou aanvallen en vervloeken als ze te dicht in de buurt van het huis kwamen.
Dit zorgde ervoor dat de al zeer bijgelovige kwaadwillenden op afstand bleven en zorgde voor een probleemloze burenrelatie. De zigeuners stonden waar jarenlang het paard heeft staan grazen aan de Loevenhoutsedijk. Steevast Loefhoutensedijk genoemd door de mensen die daar woonden.

Ze waren gematigde oud-katholieken en hielden er over het algemeen een wat lossere moraal op na. Men was wel heel gelovig. Bij onweer sprenkelde z'n vrouw Maria (Marie) met buxustakjes rond het huis, zodat het huis, de aula, het lijkenhuisje en het kerkhof niet geraakt zouden worden. In die tijd was onweer nog linke soep, omdat er geen hoge gebouwen waren, behalve de Dom, en er eigenlijk nog geen bliksemafleiders waren.

Ook is bekend dat mijn grootvader Dorus (kind van Jakobus) altijd konijntjes had die hij als spelletje liet zoeken naar het kindeke Jezus uit de kerststal. In die tijd werden er geen kerstbomen gezet bij de oud-katholieken, maar wel stalletjes. De familie Van der Steen is o.a. een van de belangrijkste bijdragers geweest aan de bouw van de kerk buiten de waerd (weerd) de St. Jakobus. De druk van de oorlog door de nazi's werd mogelijk te intens voor Jakobus Godefridus. Hij bezweek, zover bekend, aan het hart.

Zijn vrouw was Maria Johanne Kinnegem. Dezelfde familienaam werd ook wel eens aangeduid als: Kinneging, Kinnegin, Kinnegen, Kinnegim. Het is afkomstig van Cunningham. Haar voorouders waren oorspronkelijk Ierse adellijke soldaten, die rond 1500 in Nederland waren aangekomen en niet meer weg zijn gegaan. De naam is verbasterd door verschillende pastoors, die het anders schreven.

Ik heb de informatie gekregen uit directe hand, directe bronnen en officiële genealogische bronnen. Op het moment dat ik dit heb geschreven, was mijn vader net overleden en lag mijn moeder kantje boord in het ziekenhuis. Vandaar dat dit alles weer terugkwam.



Maria Johanna Kinnegem (familie werd ook wel Kinneging en Kinnegin genoemd) en Jakobus Godefridus van der Steen. Beheerders tot 1940 en 1944 aan het 'Jodenkerkhof', zandpad 2.