Voetballen op straat in de jaren vijftig.

Trainen deden we meestal op woensdag bij DWSV aan de Inundatiekade. De rest van de week voetbalden we op straat. De straten waren vrij van autoverkeer, dus had je daar weinig last van. Zeker niet van geparkeerde auto's. Er waren ook geen verhoogde trottoirs. Aan ruimte geen gebrek.

Op de hoek van de Hoogstraat/Loevenhoutsedijk was tegen de zijkant van dat huis een blinde muur, waarop een doel was geschilderd. Boven dat doel was geschilderd: DWSV 3e klasser, om aan te geven dat DWSV kampioen was geworden en gepromoveerd was naar de 3e klasse van de KNVB.

Dat huis werd bewoond door Jopie Schoonheim, een heel aardige vrouw. We moesten wel oppassen dat we de bal niet te hard tegen de muur schoten, want dan kwam ze naar buiten en moesten we weg. Maar als ze weer naar binnen was, gingen we toch weer voetballen.

Het was link als er een politieagent (Wout) aankwam, want als die je snapte, kon je beter benen maken. Voetballen op straat werd niet getolereerd. Als je voor de tweede keer gesnapt werd, kon je mee naar de politiepost bij de Roode Brug (woutenkit). Als je geluk had, werd je met een waarschuwing naar huis gestuurd. Maar het kon zomaar zijn dat je strafregels moest schrijven.

Er was één heel aardige agent, die noemden we Knipoogie Als we hem op zijn fiets zagen aankomen, werd er geroepen: daar komt knipoogie aan. Dan stopten we meteen met voetballen en nam een van ons de bal onder zijn arm en liepen we weg alsof er niets aan de hand was. Als hij dan langsfietste, knipoogde hij naar ons en zei hij: niet meer voetballen, jongens. Dan zeiden we: we voetballen toch niet, meneer, maar dat had hij natuurlijk al lang gezien.  

De hoek waar we dagelijks voetbalden.

Foto onbekend.