Beknopte geschiedenis dakpannenfabriek.

Info boekje oude Roode Brugbuurt.

Aan de Vecht heeft lange tijd een dakpannenfabriek gestaan. Er werden ook andere producten zoals stenen en tegels vervaardigd, maar de fabriek stond vooral bekend om haar dakpannen. In de 14e en 15e eeuw waren er al potten-en tegelbakkers actief in de Roode Brugbuurt. Daarna lag de productie van aardewerk enige tijd zo goed als stil. Pas in de tweede helft van de 17e eeuw nam de vervaardiging van aardewerk weer toe.

De fabriek aan de Vinkenkade (of een voorganger) kan dus al in de 17e eeuw zijn gesticht, maar zeker is dit niet. De fabriek heeft verschillende eigenaren gehad, waaronder een aantal generaties van de familie van der Schroeff & zoon. Deze naam was afgeleid van Jan Cornelis van der Schroeff, die in de eerste helft van de 19e eeuw het bewind voerde. De firma heeft enige tijd tijd succes gehad met de Hoogenlandsche pan. Deze pan was tussen circa 1890 en 1925 in productie en werd toegepast in de villabouw.

Het was geen grote fabriek. In 1890 waren er zo’n tien arbeiders werkzaam. Terwijl concurrenten investeerde in schaalvergroting, mechanisatie en uitbreiding van het assortiment, bleven de zaken bij de fabriek aan de Vinkenkade traditioneel en grotendeels onveranderd. Het bedrijf begon zo een achterstand op te lopen, die uiteindelijk niet meer werd ingehaald.

In de jaren vijftig werd de fabriek stilgelegd. De bebouwing is uiteindelijk grotendeels verdwenen, op het zogeheten Witte Pand na. Dit gebouw, op de hoek Anthoniedijk/Loevenhoutsedijk, is een voormalige droogschuur uit 1923. Op de eerste verdieping konden dakpannen, nadat ze uit de natte klei waren gevormd, te drogen worden gelegd. Luiken met openingen zorgden voor goede doorluchting. De begane grond bood bergruimte voor dakpannen.

In 1961 werd de pannenfabriek definitief stilgelegd en werd de grond aan de gemeente verkocht.

 

Zo was de dakpannenfabriek. 

Werken in de dakpannenfabriek. 

Info Eef en Willem Dekker. 

De dakpannenfabriek lag tussen de Anthoniestraat, Anthoniedijk, Vinkenkade en de Vecht. Ooit  heb ik (GvV.) daar gesolliciteerd voor vakantiewerk, maar werd als twaalfjarige te jong bevonden.

De klei werd aangeleverd in platte boten, die met kruiwagens werden gelost. De mannen schepten de klei met een grote schep in een houten kruiwagen en liepen daarmee over rijplanken, die soms spekglad waren. De klei werd direct de fabriek in gebracht, of op de kleihoop aan de Vecht gelost.

In de fabriek werkten voornamelijk mensen uit de buurt. Twee van hen waren de jeugdige gebroeders Evert en Willem Dekker, die in de dakpannenmakerij te werk gesteld waren. Evert als vaste kracht en Willem als vakantiekracht. De klei werd in een machine geschept en vandaar ging de klei door een kleine wals en kwam het er als vette voorgevormde natte plakken uit.

Vervolgens gingen de plakken via een transportband verder en werden ze door een medewerker in een vorm gelegd. In de vorm werd de dakpan geperst en na persing automatisch gekanteld. Daarna  werd de dakpan op een droogrekje op een kar gelegd voor transport naar de droogkamer.

De gemiste dakpannen vielen aan het eind van de transportband in een kuil. Willem had de verantwoordelijkheid om deze voor hergebruik uit de kuil te halen. Dit deed hij tijdens de pauze van zijn collega’s, zodat ze na de pauze meteen aan de slag konden. Het leegscheppen duurde doorgaans wat langer dan de pauze, zodat de collega's extra tijd hadden om een sjekkie te roken.

Willem maakte daar, echter met de beste bedoelingen, een einde aan. Gedurende de dag, wanneer hij even niets te doen had, haalde hij alvast de dakpannen uit de kuil. Zo kon de productie door blijven gaan. Dat vonden de medewerkers niet prettig, want die misten daardoor hun extra rookpauzes. Willem moest daarna naar het het directiekantoor  komen. Aldaar kreeg hij de complimenten voor zijn inzet en werd hem een loonsverhoging toegezegd.

De mannen schepten de klei met een schep in een houten kruiwagen en liepen daarmee over rijplanken die soms spekglad waren. De schep werd regelmatig in een emmer water gestopt, zodat de klei niet aan de schop bleef plakken. Rechts de kleihoop (kleihos), waar de kinderen speelden.

Jeugd sloopt droogloods.

Krantenbericht Utrechtsch Nieuwsblad.

Toen de fabriek gedeeltelijk afbrandde en later werd opgeheven, werd het een speelterrein voor de jeugd. Na schooltijd en op de vrije middagen waren er soms tientallen jongens die zich naar hartenlust uitleefden in de lege gebouwen. Het hek dat eromheen had gestaan, met bordjes waarop 'verboden toegang' stond, was verwijderd en was verdwenen.

Het enige dat nog overeind stond, was de droogschuur. Bewoners zagen dat de jeugd al flink aan het slopen was Met lange palen staken ze door het dak en wipten ze de dakpannen van de latten. Kletterend gleden de dakpannen in de goot en eroverheen op de grond. Daarna veegden ze de brokstukken bij elkaar om elkaar te bekogelen.  De jongens uit de omliggende wijken lieten zich zo nu en dan ook zien en dan werd met de brokstukken het een en ander uitgevochten. Als daar het plezier vanaf was, werd een bombardement aangericht op de dakbedekking.

De dakpannenfabriek was inmiddels eigendom van de gemeente Utrecht, maar die wist niet wat ze met het gebouw aan moest. Een loods als opslagplaats of iets dergelijks, maar een loods zonder dak, daar had je niet veel aan. Om verdere afbraak te voorkomen, overwoog men een hek om de fabriek te zetten, omdat het anders veel geld zou gaan kosten om het gebouw in een bruikbare staat terug te brengen.  Mochten de gebouwen en schuren gesloopt gaan worden, dan zou de gemeente wellicht kunnen overwegen om bij de Roode Brug een speeltuin in te richten. Want, zo redeneerde men, de jeugd sloopt omdat het van een ander is, maar laat het heel als je ze het in bruikleen geeft.

Uiteindelijk heeft de gemeente ervoor gekozen om het gebouw op te knappen.

Met lange palen staken ze door het dak en wipten ze de dakpannen van de latten.

John Goedee en bokkie Kees. 

Info John Goedee.

Ook de woningen aan de Vinkenkade stonden op de slooplijst van de gemeente. In afwachting hiervan werden de al leegstaande huizen gebruikt als pakhuis of werkplaats. Een daarvan werd gebruikt door buurtgenoot Adrianus (Pelie) Goedee om daar in zijn vrije tijd auto’s te repareren. 

Pelie werkte als vrachtwagenchauffeur en reed voornamelijk op wagens van straatmakersbedrijven. Na het werk nam hij zijn wagen mee naar huis en parkeerde die in het korte gedeelte van de Pijlstraat. Voordat hij naar huis ging, mochten de kinderen uit de buurt in de laadbak spelen.

Toen Pelie op een dag van zijn werk thuiskwam, zei hij tegen zijn zoontje John: "Ik heb iets voor je John, loop maar even mee naar de auto." Wat heb je dan, pa?, vroeg John. Kijk maar even in de auto, zei pa, en toen John de deur van de auto opende, verscheen er een bokkie. Dolgelukkig tilde John het beestje uit de auto en droeg het naar huis. De naam van het bokje werd Kees. Zijn vaste adres werd Vinkenkade, 's nachts in de werkplaats en op de dag op een stukje gras langs de Vecht.

Omdat Kees wat beweging moest hebben, liep John zo nu en dan een rondje met hem door de buurt. Inmiddels was Kees een grote bok geworden en brak hij op een keer los van zijn plek. Kees ging aan de wandel en toen hij in de Pijlstraat was aangekomen, kwam mevrouw ......... vanuit de Hoogstraat de Pijlstraat in lopen. Kees liep recht op haar af, maar mevrouw ........, die Kees nog kende als klein bokkie, schrok zo van dat grote beest, dat ze gillend wegrende en in haar broek plaste.

Buurtbewoner Joop Kuijer was zeer gecharmeerd van Kees en vroeg aan Pelie of hij hem met carnaval als mascotte mee mocht nemen. Kees werd met goedvinden van Pelie en John op de achterbank van Joops auto gezet en voordat Joop achter het stuur zat, had Kees zijn hoorns al in het dak van de auto gezet, met het gevolg dat de dakhemel van de auto behoorlijk beschadigd was. 

Voordat Pelie naar huis ging, mochten de kinderen nog even in de laadbak spelen. Omdat Kees wat beweging moest hebben ging John regelmatig met hem door de buurt en kreeg hij bij John's huis altijd iets lekkers. Pelie repareerde in zijn vrije tijd alles wat gemotoriseerd was. Buurtgenootje Klaas Kronenburg, die een cursus automonteur volgde ,was zijn hulpje en kijkt leergierig toe.

Pakhuis Pelie afgebrand.

Krantenbericht Utrechts Nieuwsblad 20-4 1979.

De Utrechtse politie vermoedt dat de brand die vannacht is uitgebroken in een pakhuis aan de Vinkenkade is aangestoken. Het pand werd grotendeels vernield. De naastwonende familie De Ruiter, waarvan de man invalide is, kon op tijd in veiligheid gebracht worden dankzij doortastend optreden van de 32-jarige P. Amo. Amo ontdekte de brand rond kwart over drie vannacht. 

Na brandweer en politie te hebben gewaarschuwd, rende Amo naar de Vinkenkade. Met veel moeite slaagde hij erin de familie De Ruiter te wekken. De man droeg hij het huis uit. Op datzelfde moment explodeerde in het pakhuis een gasfles, waardoor de openslaande deuren uit hun hengsels klapten. Er is niemand gewond geraakt. De brandweer had het vuur snel onder controle. Het nablussen heeft tot tegen zessen in de morgen geduurd. De naastliggende huizen werden goed nat gehouden, want door de windrichting leken deze ook in vlammen op te gaan.

Het pakhuis behoort tot de gemeente Utrecht en wordt gehuurd door A. Goedee uit de Hoogstraat. Deze wist een gestalde caravan in het pand nog net op tijd in veiligheid te brengen. Ook een bok, konijnen en kippen ontkwamen aan het vuur. Een kip kwam om in de vlammen. Volgens Goedee heeft hij gisteravond het pakhuis goed afgesloten. Toen Amo de brand ontdekte, stond de deur half open. Kort geleden was er ook een brandje in de buurt geweest. 

Zo was de Vinkenkade voordat de slopershamer zijn werk ging doen. Daar kwamen   aannemingsbedrijf Douze en 6 nieuwe woningen voor terug.

 

Foto's John Goedee, Utrechts archief en Utrechtsch Nieuwsblad.

Maak jouw eigen website met JouwWeb