Rode Doffer. (Door Joop Goslinga)

(zoals de duivenmelkers zeiden; DER ROOIE DOFFER)

Zo, daar ben ik weer, met een verhaal over die mooie tijd in de oude Roode Brug-buurt. Tegenwoordig, als ik het geloven mag, wonen er helaas nog maar weinig mensen in de Hoogstraat die de hobby/sport duivenmelker bedrijven. Een sport waar je veel geduld voor moet hebben en vooral kleine vingertjes, want probeer maar eens een duif te melken!

De hobbyisten worden nog steeds duivenmelker genoemd. Mijn vader, SokkenBart Goslinga, was er zo een. Net zoals op zijn miniboerderij, die wij steevast de stal noemden, kwamen de dieren niets tekort. Dat wil niet zeggen dat wij tekortkwamen. Maar of het net zo best was als de dieren, dat zeker niet.

Mijn vader wilde alleen het beste van het beste voor zijn dieren. Mogelijk hebben wij daar de liefde voor dieren aan overgehouden. De dieren aten de schillen, wij de aardappelen die tussen de schillen werden gevonden. Pa had daar een groentetuin en een klein plekje voor bloemen, maar dan alleen voor asters en dahlia's.

Maar nu gaat het over zijn duiven.

In de Hoogstraat zaten zeker zes duivenmelkers: familie Koning, Henk, Dirk en oude Dirk, Leo Mazzavilani, mijn neef Gert Bicker en onze pa SokkenBart. Dan heb ik het alleen over de Hoogstraat. In de Pijlstraat woonde nog Evert de Jager, die tot zijn trouwen op de Anthoniedijk woonde in het rijtje van groenteboer groentewinkel Van de Ham en slagerij  Veldkamp.

Later, veel later, ik werd bijna 14 jaar, ging ene Hazebos uit de Van Zijlstraat, de bouw zoals wij het nieuwe wijkje noemden, ook duiven houden. Mijn vader, zo trots als een aap met zeven voortplantingen, hielp hem met zijn eerste aanwas.

Hazebos kreeg wat jonge duiven van mijn vader. In het begin kwamen sommige duiven weer op het oude hok, het hok van mijn vader, terug. Dat werd dus overwennen, zoals dat genoemd werd. Dan werd de duif eerst enkele dagen of weken in zijn nieuwe hok gezet en pas daarna mocht de duif uitvliegen. Hazebos kreeg ook eieren van mijn vader, met het voordeel dat deze uitgebroede duiven niet hoefden te overwennen. Pa was daar best mee in zijn schik.

In het voorseizoen werden de jonge duiven voorbereid op het vliegen van lange afstanden, maar eerst moest ze geleerd worden om naar huis terug te keren. Jonge duiven kon je niet zomaar ineens naar België of Frankrijk sturen; dat werd beetje bij beetje gedaan. Het loslaten begon in mei, eerst in de omgeving van Bunnik en een week later in Werkhoven en omgeving.

Het werd gedaan op zondagmorgen, want dan was de paard en wagen van mijn vader vrij. Zes dagen in de week werd de wagen gebruikt om schillen op te halen, maar op zondag was de wagen voor DE RODE DOFFER. Maar wij, zijn kinderen, waren dan wel de pisang. Wij moesten op zaterdagmiddag de schillenkar leegmaken en schoonspoelen met water uit de sloot. Dat was een heen en weer geloop met emmers water, want SokkeBart was niet snel tevreden.

Als beloning mochten we mee als we dat wilden en reken maar, dit jochie wilde wel mee, al was het alleen maar voor de kersen die we dan in de boomgaard kochten. Op de terugweg was het spelletje wie het verst de pit kon wegspuwen, maar ik had niet het lef om Corrie, ons paard, te raken. Dan werd er gevloekt en gescholden en als je niet uitkeek, een klap met de zweep. Die zweep was niet van toepassing op de persoon van de duivenclub die was meegegaan, maar een scheldkanonnade kon hij wel tegemoetzien.

Van zijn dieren moest je afblijven en zeker van het paard, want Pa zei altijd: Corry is ons eten, als zij niet kan werken komt er niets op tafel. Ondanks dat dit vreemd klonk, was het een waarheid als een koe, want als er een dag geen schillen werden opgehaald, kon er ook niet geleverd worden aan de markt. Niks leveren betekende geen ping ping. Toch waren deze tussendoortjes voor mij een welkome verrassing: kersenpitten spugen en eens buiten de stad komen en dan nog helemaal naar Bunnik, nou, dat was wat voor mij.

Er ging en gaat veel geld om in deze hobby/sport. Ik weet nog dat ik als jochie van 10 jaar op pad werd gestuurd met driehonderd gulden op zak. Daarmee moest ik met de trein naar Putten, om daar bij een duivenmelker twee duiveneieren te kopen van een zeer gerenommeerde duif, die veel prijzen had gewonnen. Dat was rond 1955.

Als je weet dat mijn vader in die tijd met gemiddeld 85 gulden aan het eind van de week thuis kwam, weet je wel dat driehonderd gulden veel geld was. Pa praatte nooit over geld, maar dit was ten hemel schreiend! Of hij nu een goede week had gehad, of omdat hij veel geld voor zijn slachtvee had geboden, het was schofterig veel geld. Mijn moeder moest elk dubbeltje niet dubbel, maar wel viermaal dubbel omdraaien om rond te komen en pa gaf zomaar even driehonderd piek uit voor twee eieren. Wat een risico is dat toch geweest.

Aan de heenweg naar Putten zaten in mijn denken geen risico’s, maar dat vele geld deed mij toch wel wantrouwig rondkijken. Gelukkig woonde de duivenmelker dicht bij het spoor en ik was blij dat ik er was. Meneer Vos, die duivenmelker, haalde de eieren uit het hok en deed ze in een stevige doos met watten, die hij had voorverwarmd.

De eieren zouden dus niet snel afkoelen. Met de doos onder mijn oksel liep ik naar het station van Putten en kon ik, gelukkig bijna gelijk, weer op de trein stappen. De doos zo voorzichtig mogelijk onder mijn oksel houdend, reed ik schuddend weer naar Utrecht. Maar nog steeds was mijn probleem niet over.

Nu moest ik nog lopend naar de Hoogstraat, alsof ik op eieren liep. Maar het is goed gegaan! Thuis werden de echte eieren van die duivin onder haar uitgehaald en die ‘gouden eieren’ eronder gelegd. Jopie had zijn best gedaan. Of ik gewaardeerd werd? Ik had al een koekje gekregen in Putten, dus ik mocht niet zeuren. Zelfs een dank je wel, of een ander compliment, kon er niet af.

SokkenBart zat op zijn platje als het ware de eieren uit te broeden en ja, uit de eieren kwam een doffer die we later de Rufex-doffer noemden. Deze doffer, hij was nog rood ook, deed in een wedstrijd mee vanaf de plaats Rufex ergens in Frankrijk en kwam als snelste in Utrecht aan. Nu kon SokkenBart geld vragen voor de eieren en de nakomelingen van deze doffer.

Een doffer legt natuurlijk geen eieren; een doffer is mannelijk. De duivin waarmee hij in een hok was gedaan en hij gepord had, mocht het mooie werk doen: uitbroeden. Natuurlijk was de duivin ook een uitverkorene, had dus ook goede prestaties geleverd en daarom mocht zij “porren” met de Rufex-doffer.

Ik hoef toch niet uit te leggen wat dat “porren” is? Nou oké dan! Ze doen de liefdesdans en meer.





 

 

 

Maak jouw eigen website met JouwWeb