Heel lang geleden was de Roode Brugbuurt een gevreesde buurt.

(Interview krant Utrechtsch Nieuwsblad met oud-politieman Jacob Schloof 1947)

Een ruige buurt, maar goed volk.

Buiten de Weerd, de wijk tussen de Ooster-, Noorder- en Westerstroom en stadsbuitengracht (Weerdsingel), was de enige buitenwijk die ommuurd was geweest en daarom Bemuurde heette. Deze wijk strekte zich uit tot aan beide zijden van de Vecht. Deze buitenwijk droeg in die tijd een landelijk karakter, met schuren en hooibergen, en is meermalen prooi van de vlammen geworden.

De buurt bij de Roode Brug was vroeger een buurt met een heel apart wijkje. Dat vertelde oud-politieman Jacob Schloof ooit. Vanaf zijn 14e jaar had hij in de buurtschap De Roode Brug gewoond. Later diende hij in Den Haag, maar hij keerde terug naar Utrecht, waar hij werd ingedeeld bij politiepost Bemuurde Weerd.

De politiepost Bemuurde Weerd was gevestigd op de Kade nabij de Stadswaag. Het politiebureau Roode Brug bestond toen nog niet. Als jongen in de Hoogstraat wonende, leerde hij zijn vrienden van de Roode Brug kennen, bij naam en bijnaam, en als jonge jongen was hij bevattelijk voor het goede en het kwade.

Bij de Roode Brug woonden toen veel losse arbeiders. Als er bij zagerij R.J. Koker (gelegen aan de Lauwerecht nabij de Knollenbrug) schepen met zware balken aankwamen, kregen de Roode Bruggers altijd de voorkeur, omdat hun nauwgezetheid zo groot was, zodat een ongeluk bij het lossen was uitgesloten.

Een stevige borrel hoorde erbij en ook pruimtabak, sigaretten kende men in die tijd nog niet. Er zaten van de Bemuurde Weerd tot aan de Roode Brug zeventien kroegen. De klandizie kwam vooral van de schippers, die van de Vecht door de stad moesten varen om via het Merwedekanaal in Vreeswijk te komen. ’s Zondags werd er niet gevaren. Dan lagen de schepen gemeerd van het Jodenkerkhof, tot aan de Bemuurde Weerd. In die kroegen kwamen ook de arbeiders.

Toen vond men in deze buurt onder meer een olieslagerij, een zeepziederij, een wolspinnerij, een vatenkuiperij, diverse smeden, een wagenmakerij, een brandspuitenfabriek, een beenzwartfabriek (benenkluif), een loodwitfabriek, een kledenklopperij, een pottenbakkerij en twee tegel- en dakpannenfabrieken tegenover elkaar aan de Vinkenkade en de Hoogelanden Westzijde.

Toen de heer Schloof als agent dienst ging doen, gaf dat nogal eens aanleiding tot een kwinkslag. Als er door de fabrieken om assistentie werd gevraagd om beschonken of vechtende arbeiders te verwijderen, dan was hij een van de eersten die erheen moest. Het gebeurde zelfs dat hij er van de Weerd met een handkar op uitging om zo’n vrachtje op te halen. Hij had altijd succes met die mannen, want hij kende ze van naam en wist van al hun onhebbelijkheden. Trouwens, ze wisten dat als zij een robbertje wilden vechten, hij gaarne van de partij was.

Een paar jaar later kwam hij in speciale dienst, om de reinheid van varkensstallen te inspecteren, en als er iets niet in orde was, namen de Roode Bruggers gaarne zijn adviezen in ontvangst. De leerplichtwet van 1901 gaf weer ander werk in deze buurt, al vonden de onderwijzers het onaangenaam dat een agent zich met het schoolgaan van de Roode Bruggers bemoeide. De aanstelling van een schoolopziener maakte aan zijn bemoeiingen een einde in dat opzicht.

De Roode Brug was wel een brutale buurt, maar de saamhorigheid van de mensen en hun hulpvaardigheden waren prachtig volgens de heer Schloof en een voorbeeld voor tal van ‘nette’ mensen. Ook nu is er in dit opzicht nog veel te waarderen.

Op zondag trok meester Beumer als godsdienstonderwijzer en ziekenbezoeker de wijk in. Dan is vader bij moeder, dacht hij. Als ze dan een slokje op zouden hebben, was dat de beste tijd om ze te bewegen dat na te laten. Dominee Bronsveld kwam ook overal, maar de wijk was te groot en zijn tijd te krap, terwijl hij liever rustiger mensen in de Verenigingsstraat bezocht.

De Roode Brugbuurt viel onder de politiepost De Weerd, maar dat werd gaandeweg moeilijker. Herhaaldelijk werden er stropers aangehouden, vaak onder hevig verzet. Ook waren er dikwijls hevige vechtpartijen, waarbij het er ruw aan toe kon gaan. In 1909 kwam er een politiebureau bij de Roode Brug, want beschaving was daar heel hard nodig. Die politiepost heeft dienstgedaan tot 28 december 1971; daarna is er een nieuwe politiepost aan de Kaaphoorndreef - Overvecht - in gebruik genomen. 

Op zondag lagen de boten van het Jodenkerkhof (Zandpad) tot aan de Bemuurde Weerd.

 

Foto Utrechts archief.