Het kleinste café'tje van G & G, door Joop Goslinga.

Als kind noemde ik ze Tante Griet en Ome Gerard, maar een echte tante of oom waren ze niet van ons. Nee, want ze waren een tante en een oom van mijn vader Bart Goslinga, ook wel eens “sokkenbart” genoemd, maar dat is weer een ander verhaal. Deze tante Griet, die met ome Gerard was getrouwd, was een zus van mijn opa Goslinga, die ik trouwens nooit gekend heb.

Tante Griet had waarschijnlijk het kleinste “buurtkroegje” van Utrecht en misschien wel van heel het land. Vanuit Hoogstraat 58 verkocht ze aan haar wel heel kleine klantenkring bier in huis. Haar vaste klanten waren de heren Steenis en Foppen. Ook kwamen de heren Burgsteden en Schoonheim regelmatig hun dorst lessen.

Foppen had schuin aan de overkant, op nummer 65, een viswinkel. Hij had als visboer een A-vergunning, wat inhield dat hij zwak-alcoholische dranken mocht verkopen, maar toch ging hij naar tante Griet. Zou het daar gezelliger geweest zijn dan bij hem thuis?

Zelf denk ik dat hij voor de gezelligheid naar tante Griet en ome Gerard ging, om daar met de buren te kunnen praten. Of zou het roddelen geweest zijn? Dat moest haast wel, want er gebeurde niet zoveel in de Hoogstraat. De kinderen konden heerlijk spelen op straat, want een auto zag je er niet, tenzij de gemeente met de auto de vuilnisbakken kwam ledigen. Of eens in het halfjaar de “puttenzuiger”, om de hemelwaterafvoerputten te reinigen.

Ze verkochten bierflessen, Hengelo’s bier en Grolsch-bier met de bekende sluiting. Het Hengelo’s bier werd een kleintje genoemd, de Grolsche een buikje. Ze verkochten ook limonade, maar dat was meer voor de sier dan voor de winst.

Wij, de kinderen van Bart Goslinga, gingen op zondag, zodra tante Griet en ome Gerard uit de kerk waren gekomen, naar ze toe om ze een prettige zondag te wensen. De achterkamer stond dan al blauw van de rook, veroorzaakt door de stug rokende, vroeg gekomen gezelligheidsdrinkers. Met een handvol Tum Tum mochten we weer huiswaarts keren. Kleine kinderen waren blijkbaar niet gewenst, maar ach, we hadden de buit binnen, dus wat maakte het uit.

Deed de politie daar niets aan?

Natuurlijk niet, niemand had last van de gezelligheidsdrinkers. Ze maakten geen ruzie en vielen hun buren niet lastig, dus waarom zou men? Als het warm weer was, zaten de drinkers buiten op hun eigen meegebrachte stoelen of krukjes. Ik kan me nog herinneren dat er een agent langskwam en gezellig mee ging babbelen Nee, hij dronk geen bier; voor hem was er limonade.

Wij mochten dan even niet naar buiten om te kijken wat de agent wou, want kleine kinderen en dronken mensen vertellen de waarheid, maar dat mocht die agent weer niet weten. Zodra de agent weer naar politiepost Roode Brug was, mochten we weer naar buiten.

Om de zoveel tijd kwam de Firma Pieneman de voorraad aanvullen, meestal op zaterdagmiddag. Hun driewielig voertuig, waarschijnlijk een tweetakt, zorgde ervoor dat de straat even blauw van de rook zag. Maar wat gaf dat, het was gezellig.

Ome Gerard voor zijn kleine kroegje.