DWSV-club van de Roode Brug. 

Een van de oprichters, de heer Dirk de Ruijter.

De buurtvoetbalvereniging DWSV werd op 9 mei 1931 opgericht. Een van de oprichters was de heer Dirk de Ruijter. De heer De Ruijter was een echte Roode Brugger en heeft door de jaren heen verschillende functies bekleed in de vereniging. Na zijn bestuurlijke leven is de heer De Ruijter nog vele jaren actief geweest met de organisatie van de lotto en het ophalen van oud papier. Het geld dat aan de lotto werd verdiend, ging naar de vereniging. Het geld dat werd verdiend aan het oude papier werd grotendeels besteed aan de jeugd. Op latere leeftijd bracht hij op zijn fiets de clubblaadjes nog rond.

DWSV in vroeger jaren. Door Dirk De Ruiter/G. van Veenendaal

Vroeger werd door de jeugd altijd op straat gevoetbald, zo ook in de oude Roode Brugbuurt. Een aantal van hen wilde ook wel eens op een echt voetbalveld spelen en er werd een voetbalvereniging opgericht. De grote jongens betaalden tien cent contributie per week en de jongsten drie cent.

De jeugdige aanjagers waren onder andere: A. de Rover, J. van Doorn, A. de Ruijter, J. de Ruijter, B. van Asperen, J. van Loveren, D. van Loveren, D. Nelemans, P. Bicker, J. Wever en W. Wintershoven. Oudere buurtgenoten vonden het een goed initiatief en stelden met een aantal mensen een bestuur samen, Arie van Zijl voorzitter, G. Pijnenburg penningmeester en Willem van Noort secretaris.

Op 9 mei 1931 werd de club officieel opgericht. In eerste instantie speelden ze onder de naam DWS (Door wilskracht sterk), maar toen ze in de competitie gingen spelen, kwam de V (vooruit) erachter, omdat er al een DWS was in Amsterdam. 

1e elftal beginjaren met voorzitter R. van Dijk, bestuurslid J. Achterberg, D. Druppers, M. de Klerk, A. Agasi, G. Veenendaal, J. van Kampen, A. Wever, J. Boom en masseur Godee. Knielend: A. Verwey, G. Verheul, B. Wintershoven, H. Worst, A. van de Woude, H. Schoonhoven en J. Jansen.

In die tijd werden al jaarvergaderingen gehouden. De vergaderingen werden goed bezocht en werden in de eerste jaren gehouden op de meelzolder van boer Jongerius aan de Inundatiekade. Later mocht gebruikgemaakt worden van een klein zaaltje dat boer Jongerius normaal gesproken alleen verhuurde voor feestjes, zoals verjaardagen en feestjes van de buurtvereniging.

Boer Jongerius was de mensen van DWSV goed gezind, want er hoefde geen zaalhuur betaald te worden. Zo was de eerste stap was gezet, nu moest er nog een veld komen. Boer Jongerius had een stuk weiland liggen, waar wel twee voetbalvelden van gemaakt konden worden. Maar er moest wel wat aan gebeuren.

De Roode Brugbuurt was rijk aan grondwerkers, die zich er al snel mee gingen bemoeien. Het veld moest gedraineerd worden en op advies van de grondwerkers werden greppels gegraven over de lengte en de breedte van het veld. Met man en macht werd door vele buurtbewoners meegewerkt om er echte voetbalvelden van te maken.

Er werd gegraven tot op het zand, waarna de sleuven gevuld werden met sintels, die overal vandaan werden gehaald en met een gierschuit werden aangevoerd. Ook s' avonds werd aan het veld gewerkt. Toen de sleuven waren volgestort, gingen de graszoden erop, die bewaard waren na het uitgraven.

De zomers waren anders dan nu, warm en droog, waardoor er regelmatig veel water op de zoden gegooid moest worden om ze aan te laten trekken. Aangezien dit gebeurde in de beruchte jaren dertig, waren er vaak zo’n dertig à veertig werkloze mensen aanwezig, die allemaal met een emmer naar het veld kwamen.

De emmers werden gevuld met slootwater en vanaf de sloot aan elkaar doorgegeven, om ze vervolgens over de zoden leeg te gieten. De kleedlokalen werden in ruil om op ons veld te mogen spelen bekostigd door bazaar Galeries Modernes, die door een eigen timmerman een dubbelwandige kleedruimte liet neerzetten. Toen de velden klaar waren, lagen er een paar velden die praktisch altijd te bespelen waren. Zo fraai, dat in latere jaren bondsoefenmeester Karel Kaufman de cursus voor oefenmeesters op het veld ging houden.

Er waren natuurlijk ook kosten aan verbonden, maar die konden niet alleen van de contributie betaald worden. In de Hoogstraat zat op nummer 88 een klein kruidenierswinkeltje, waarvan de eigenaar, de heer Kogel, een prikplank had. Voor een paar centen kon je prikken en de prijsjes die eruit geprikt werden, gingen bij DWSV de verloting in. Zo kwam er wat extra geld in de kas.

In de eerste jaren na de oprichting begon de grote aanwas bij DWSV. Bekende namen uit die tijd waren Albert Agasi, Manus de Klerk en de gebroeders Wever. Er werd begonnen in de Utrechtse Provinciale Voetbalbond (UPVB), de voorloper van de KNVB. Er was bij alle vriendschappelijke en competitiewedstrijden altijd veel publiek aanwezig. Er werd niet tegenop gezien om naar VVOG in Harderwijk te fietsen om het 1e elftal te zien spelen. Wedstrijden in de Bilt werden ook wel te voet afgelegd.

Een kantine was er in die tijd niet; voor en na de wedstrijd werd de gezelligheid gezocht in het clubcafé Vechtzicht aan de Anthoniedijk, of bij iemand thuis. Langs het veld werden limonade en koek verkocht. Bier werd niet verkocht, omdat daar geen vergunning voor was. De handel werd op de fiets bij een groothandel op de Amsterdamse straatweg gehaald. De winst, in die tijd zo’n vijf à zeven gulden per thuiswedstrijd, werd aan het eind van de wedstrijd direct afgedragen aan de voorzitter.

In 1936 werd het 1e elftal kampioen, een mooi resultaat na vijf jaar, en ze deden het in het seizoen 1938/1939 nog eens over en werden hiermee 3e klasser.

 

Een van de hoogtepunten bij DWSV was het kampioenschap van het 3e elftal in het seizoen 1937/1938. Dit elftal boekte in dat seizoen een record door een wedstrijd in competitieverband met 41-1 te winnen van VSK 3. Die ene goal tegen kwam tot stand doordat de keeper van DWSV niets te doen had en naar een medespeler op het middenveld riep: geef mij ook eens een bal. Die speler twijfelde geen moment, maar hij trapte de bal zo hard dat die in het eigen doel verdween. Zijn medespelers waren hels, waarop die speler zei: ach, dan hebben die jongens ook wat, maar die grap werd hem niet in dank afgenomen. Ze werden kampioen, met ruim 200 goals voor en 12 tegen.

DWSV werd mede door zijn grote aanhang regelmatig uitgenodigd om aan een voetbaltoernooi deel te nemen. De aanhang zag er niet tegenop om daar naartoe te lopen of te fietsen.

Zilveren doel Draaiweg school:

Meester Frederiks, het hoofd van de school, organiseerde een of twee keer per jaar een wedstrijd tussen de eerste elftallen van DWSV en Stichtse Boys om de zilveren doel. De opbrengst van de entreegelden werd besteed aan de school. DWSV won de tweekamp vijfmaal, dus mocht het de zilveren doel houden.

Zilveren schoen LOC Amsterdam:

Op uitnodiging van L.O.C. uit Amsterdam deed DWSV mee aan het Zilveren Schoentoernooi. De prijs werd twee keer achter elkaar door DWSV gewonnen. Het was een kostbaar bezit, dus wilden de spelers die graag voor de derde keer meenemen naar Utrecht. Maar de organiserende vereniging dacht daar anders over; glaszuivere doelpunten werden afgekeurd, dus geen zilveren doel.

Zilveren zuil Holland:

Hetzelfde overkwam DWSV bij een toernooi om de zilvere zuil bij Holland. Ook deze bokaal werd door DWSV tweemaal achtereen gewonnen. Toen het erop aankwam, werden ze er op een rare manier uitgeknikkerd.

Zilveren vliegtuig Soesterberg.

Een aardig verhaal is dat van het zilveren vliegtuigtoernooi, dat jaarlijks georganiseerd werd door voetbalvereniging Soesterberg. De supporters die DWSV overal volgden, gingen op de fiets naar Soesterberg. De spelers gingen met de tram, met in Zeist een overstap op een tram die via Soesterberg naar Amersfoort reed.

Tot ieders verrassing haalde DWSV de finale, waarin ze het op moesten nemen tegen de thuisclub. Zou Soesterberg winnen, dan zou de wisselprijs definitief in hun bezit zijn, maar er was niet op gerekend dat DWSV de finale zou winnen, dus dat feest ging niet door.

Omdat DWSV de twee daaropvolgende jaren ook het toernooi won, ging de prijs definitief mee naar Utrecht. Op de terugweg was het groot feest in de tram, die door het hossen en het springen danste op de rail. In die tijd werd er nog niets vernield, maar de conducteur vond dat het zo niet langer kon.

In Zeist moesten ze overstappen en ging het net zó, maar in de Bilt werden ze door de politie uit de tram gehaald en moesten ze met z'n allen mee naar het politiebureau. De commandant zei ze daar voorlopig vast te houden, dus gingen er meteen stemmen op dat hij dan ook voor eten en drinken moest zorgen, maar daar trapte hij niet in. Opgedonderd, zei hij, jullie kunnen de volgende tram nog halen. Bij politiebureau Wittevrouwen stond de politie ze op te wachten, maar omdat ze hier een vermoeden van hadden, waren ze bij de halte daarvoor uitgestapt. Een misslag voor de politie.

Maar een onvergetelijke dag voor DWSV.

In de oorlog van 40/45 was het moeilijk om de club staande te houden, maar door de geweldige saamhorigheid binnen de vereniging en ook in de Roode Brugbuurt, is dat gelukt. Omdat in de oorlogsjaren het veld danig verwoest was, werd door veel leden wederom clubliefde getoond en werd het veld weer prima in orde gemaakt.

Na de oorlog moest men eind jaren veertig met lede ogen toezien hoe een aantal spelers door de regering naar Indië werd gestuurd om daar als militair te dienen. In het seizoen 1951/1952 werd het 1e elftal kampioen na een beslissingswedstrijd tegen SEC uit Soest.

Het was een spannende wedstrijd, maar tot aan de rust bleef het 0-0. Na de rust maakte de witte Verwey (de vader van) met een afstandsschot van wel vijfendertig meter de enige goal. Het jaar daarop werden ze weer kampioen en moesten promotiewedstrijden gespeeld worden voor de 2e klas, met onder andere Hollandia en JOS. Maar DWSV redde het net niet.

Krantenknipsel Utrechtsch Nieuwsblad: na het behalen van het kampioenschap ging onze keeper Piet Steenis van vreugde aan de doellat hangen.

Jeugdelftal jaren vijftig, met onder andere: Verweij, Wever, van Oudernallen, van Loveren, keeper van Rekum, Spierenburg en Sabee.

Vanwege stadsuitbreiding gingen de velden aan de Inundatiekade voor de vereniging verloren. Dankzij de spontane medewerking van DOS en Hercules kon DWSV blijven spelen. Soms moesten ze gebruik maken van het veld van DUC in Den Dolder. DWSV heeft ook gespeeld op Oud-Welgelegen (nu Kanaleneiland), waar de velden met andere clubs gedeeld moesten worden.

Toen dat geen oplossing bood, zijn ze vertrokken naar een veld naast koekjesfabriek Rocabé langs het Merwedekanaal. Nadat hier veel werk en geld aan was besteed, bleek het veld te klein en mochten daar  er geen officiële wedstrijden gespeeld worden. De vereniging leed daardoor een verlies van 2600 gulden.

Doordat UVV, dat toen aan de Inundatiekade speelde, naar de Hogeweide verhuisde, kwam dat veld vrij en kon DWSV midden jaren vijftig weer terug naar de Roode Brug. Het terrein was gelegen tussen de spoorbaan en de Troelstralaan, waar ze de beschikking kregen over een hoofdveld en een trainingsveld. Zo nu en dan mocht er op aanvraag ook gebruikgemaakt worden van een veld van de benenkluif, dat naast het hoofdveld lag.

Omdat UVV alle gebouwen en materialen had meegenomen, was er alleen nog maar een grasvlakte op het nieuwe onderkomen. En weer moest DWSV opnieuw beginnen. Een fatsoenlijke kleedgelegenheid was er niet; ze moesten het doen met een houten keet, die was verdeeld in twee gedeelten. Douchegelegenheid was er ook niet. De wasgelegenheid was een zinken bak, met daarboven een aantal (koud) waterkranen.

Als je het kleedhok binnenkwam, kwam je in een halletje en stond je recht voor de WC. Links was de kleedruimte voor DWSV, rechts voor de bezoekers. Als er iemand van DWSV of van de tegenpartij voor een grote boodschap naar de WC was geweest, was de lucht niet te harden.

Als er na een wedstrijd bij toeval een speler van DWSV en een van de tegenpartij tegelijkertijd naar de WC gingen, ontstond er nog wel eens een handgemeen in het halletje, om daar nog iets te vereffenen van iets wat in de wedstrijd gebeurd zou zijn.

Er was geen kantine, maar wel een hok waar je snoep en drank kon kopen. De dames van Olderen en Tielens zorgden voor de verkoop, Na de wedstrijd werd daar vaak nog wat nagepraat en gedronken, waarna de gezelligheid vaak werd voortgezet in een van de cafés in de buurt.

De dames van Olderen en Tielens in het snoep en drankenhok.

Juniorenelftal jaren ’50 op het voetbalveld van de Benenkluif,  dat DWSV  mocht gebruiken als het eigen veld door weersomstandigheden onbespeelbaar was. Toen de benenkluif was afgebroken, heeft DWSV het veld in gebruik genomen als speel- en trainingsveld. Het elftal bestond uit  leider Toon van de Berg, Cor van Dort, Jelus van Veenendaal, Gert van Veenendaal, Rinus van Veenendaal, Cobus van Veenendaal, Jan Kinnegin, Kees Kinnegin, Eduard Warmenhoven, Joop Bicker, Willem Dekker, Willem van Rekum (supporter), Rinie Dekker (supporter), Gijs van de Kieft, Evert Dekker, Johan Nienkempen, keeper Wim van Kampen en Gerard van Veenendaal (supporter)

Bekerwedstrijd DWSV -Stormvogels.

In 1956 speelde DWSV een historische bekerwedstrijd tegen de semiprofs van Stormvogels met in hun midden de latere Nederlands Elftal speler Henk Groot. Om een kans op overleven te hebben, had DWSV ervoor gekozen om de wedstrijd op het zeer hobbelige trainingsveld te spelen.

Hoewel DWSV bij vlagen dapper tegenstand bood, bleek het kwaliteitsverschil met de IJmuidenaren uiteindelijk te groot. Stormvogels nam vanaf de aftrap het initiatief en werd na ruim twintig minuten beloond.  DWSV probeerde zich te herpakken, maar vlak voor het rustsignaal verdubbelde Stormvogels de score (0-2). 

Na de thee leek de wedstrijd definitief beslist toen Stormvogels in de 55ste minuut de 0-3 aantekende. De al wat oudere spelers van DWSV gaven niet op en toonde veerkracht voor het eigen publiek. In de 67ste minuut wist Kees Steenis de eer te redden door de 1-3 binnen te schieten. Verder dan dit doelpunt kwam DWSV niet, waardoor Stormvogels zich verzekerde van de volgende ronde van de KNVB beker. 

Het elftal dat voor de KNVB-beker tegen Stormvogels speelde, met Dirk van Olderen, Marius de Leeuw, Kees Stenis, Karel de Leeuw, Hugo Martens, Jan van de Burg, Jan de Leeuw, Joop Reimers, Tonnie Reimers, Toon van de Berg, Gijs Manson en Jaap Wever. Vierde speler van links is Henk Groot. 

Vanaf de spoorbaan gezien was links het trainingsveld waar de wedstrijd werd gespeeld tegen Stormvogels. De barak behoort tot de padvinderij. Op de achtergrond de flatgebouwen aan de Troelstralaan, die eind '49 begin '50 werden gebouwd en inmiddels zijn afgebroken. Een unieke foto waaraan ik de mooiste herinneringen vanaf de jeugd tot en met het eerste elftal heb. Rechtsboven bevond zich het hoofdveld, dat strak tegen de benenkluif lag.

Het elftal bestond uit: achterste rij: bestuurslid Wever, Toon van de Berg, grensrechter Wisman, Cees Stenis, Marius de Leeuw, dikke Jaap Wever, Jan de Leeuw, bestuurslid/terreinknecht Bertus Tielens, Jan van de Burg, trainer Meeuwse, dunne Jaap Wever, voorzitter Jo Wever. Gehurkt: bestuurder Cees van der Hagen, Cees Klein, Tonnie Reimers, Joop Reimers, Wies van Wamel, Henk Wintershoven, Karel de Leeuw, en bestuurder Dick Verheul.

Het was een fijne periode aan de Troelstralaan; er waren heel wat successen. Een kampioenschap van het eerste elftal en vele kampioenschappen van jeugdelftallen. In het seizoen 1958/1959 werd het 1e elftal op dit complex kampioen van de 3e klasse. Het waren niet meer de jongsten, maar het was  een geweldig elftal, een unieke kans om in de 2e klas te gaan uitkomen. Helaas werd in een nacompetitie met Jos, Vitesse 22 en QSC promotie net gemist. DWSV kwam 1 punt te kort.

Dit elftal won in 1959 ook een toernooi om de zilveren zuil.

Vervolgens ging het bergafwaarts. Omdat er te lang gewacht was met de verjonging, werden er plotseling zeven A-junioren voor de leeuwen gegooid en werd er twee jaar achtereen gedegradeerd. Het volgende probleem zich al weer aan. Omdat de gemeente plannen had voor nieuwbouw moest DWSV opnieuw vertrekken en kregen ze de keus om samen te gaan met korfbalclub Samos aan de Loevenhoutsedijk, of naar een nieuw complex in Overvecht. De keuze viel op Overvecht.

Verhuizing van de benenkluif naar Overvecht.

In 1969 verhuisden we van de Talmalaan (de benenkluif) naar de Manitobadreef in Overvecht. Een groep van ongeveer vijftien trouwe leden is daar maanden achtereen bezig geweest met de bouw van een clubhuis. Alles gebeurde in de avonduren en op de vrije zaterdag. De grote initiatiefnemer was voorzitter Henk Posthouwer. Hij kwam met het idee zijn medebestuurders warm te maken voor een eigen home.

Er werd een commissie samengesteld die onder voorzitterschap van G.C. Verheul een bouwcommissie samenstelde, die bestond uit de heren Van Olderen, Van Zutphen, Verbrugge en Steenbergen. Dirk van Olderen werd tot uitvoerder gebombardeerd, een taak die hem goed lag. In april werd begonnen. Ieder lid werd opgeroepen om te komen graven en die kwamen.

Er waren zelfs avonden dat er wel dertig man aanwezig waren. Er bleef een vaste kern over van mensen die in het algemeen ook in de bouw werkten. Ieder had zijn eigen taak. De een metselde, de ander timmerde en weer een ander zorgde voor de elektrische bedrading. Dat laatste werd gedaan door bestuurslid Kinnegin, die daarmee de bijnaam de Vlotte heeft gekregen. 

Volgens de planning van uitvoerder Van Olderen moest het clubhuis in september gereed zijn. De bouwkosten waren geraamd op ongeveer veertigduizend gulden. Het grootste gedeelte werd door de leden bijeengebracht. Contributies, lottogelden, natuurlijk moest er ook geleend worden.

Het clubhuis werd achttien bij acht meter. Onder het motto 'iedere dag een pilsje' gingen de DWSV’ers vrolijk door. In korte tijd werd een prachtig clubhuis neergezet. De kantine werd geopend door wethouder A. Looten, die de sleutel uit handen van het zoontje van de overleden voorzitter H. Posthouwer kreeg. Mevrouw Posthouwer schonk de vereniging een prachtige klok. 

Toen DWSV naar de Manitobadreef verhuisde, waren er twintig jeugd- en tien seniorenelftallen.

Spaanse voetballers bij DWSV.

Voor de verandering gaan we het hebben over een kampioenschap en een promotie van een vierde elftal. Een elftal met Spanjaarden, aangevuld met een paar Nederlanders en een Marokkaan. Dit elftal speelde in de jaren tachtig bij DWSV en werd in 1985 kampioen van de reserve 3e klasse van de afdeling Utrecht. Van de 22 gespeelde wedstrijden werden er 18 gewonnen, 3 gelijkgespeeld en slechts één verloren. De doelcijfers mochten er ook zijn: 76 voor en 25 tegen.

Het kampioensfeest werd gevierd in het Spaanse huis Casa de Espana aan het Domplein. Aanwezig hierbij waren voorzitter Dirk de Ruiter en penningmeester Siem Oerlemans. De grote man achter dit voetbalplezier was José Montero. Hij werd op handen gedragen door zijn jongens, die hem de erenaam Menotti, een beroemde Argentijnse voetbaltrainer, hadden meegegeven.

José Montero overhandigde het DWSV-bestuur een mooi geschenk, terwijl Dirk de Ruiter een plaquette overhandigde. Er werden ook nog prijzen uitgereikt. Als beste speler van het team werd uitgeroepen de Marokkaan Ouali. Topscorer werd Johnnie Montero, de zoon van Menotti, die 27 goals liet aantekenen. Aanvoerder Salvador Cabeza kreeg het predikaat van sportiefste speler. 

De twee Nederlandse jongens, doelman Rob Kuijer en aanvaller Roel Tas, hadden het erg naar hun zin en wilden niet anders. De heren hadden ook een kledingsponsor, de Spaanse kapperssalon Madrid van de Biltstraat. Financieel werd de zaak prettig opgelost. Penningmeester Siem Oerlemans diende ieder jaar bij het Spaanse huis een declaratie in van het totaal verschuldigde bedrag aan contributie. Dat betekende dat de spelers, ook de Marokkaan en de twee Nederlandse jongens, geen contributie hoefden te betalen. Naast dit kampioenschap won dit team vele prijzen op toernooien.

Damesvoetbal.

DWSV had op Overvecht ook een damesafdeling, met twee elftallen. Het eerste team speelde in de hoogste klasse van de afdeling Utrecht. Het tweede elftal nam nog geen deel aan de competitie. Ze hadden een eigen bestuur, waarvan mejuffrouw C. Klein voorzitster en secretaresse was en Paula van Gendt penningmeester. De training werd gegeven door DWSV'ers Dirk van Olderen en Piet Steenis, die vanwege het formaat van zijn reukorgaan ook wel de neus werd genoemd.

Terugloop leden.

Toen het 60-jarig bestaan werd gevierd, waren er nog maar vier senioren- en vijf jeugdelftallen en was de terugloop begonnen. Eind jaren negentig waren er nog vier seniorenelftallen en was de jeugdafdeling in zijn geheel verdwenen. Het zag er somber uit voor de vereniging. Om kosten te besparen werd één veld afgestoten, maar het ledenbestand bleef dalen, waardoor ook de kantine-inkomsten minder werden. De vraag was hoe lang ze dit vol zouden houden.

Toen bekend werd dat korfbalvereniging Samos, die nog steeds aan de Loevenhoutsedijk speelde, ook een aantal velden had afgestoten, is de toenmalige voorzitter Bep van der Scheur naar de gemeente gestapt en is het door zijn inzet en die van de heren Joop Kuyer en Jan Verkaik van buurtcomité Hoogstraat gelukt om te verhuizen naar de Loevenhoutsedijk.

Na het seizoen 1997/1998 heeft DWSV met een kampioenschap van het 1e elftal afscheid genomen van de Manitobadreef. In het seizoen 1998/1999 werd een nieuwe start aan de Loevenhoutsedijk gemaakt met 4 senioren en vier jeugdelftallen. 

In het buurtje waar het ooit was begonnen heeft de KNVB na verschillende geweldsincidenten in 2019 de stekker eruit getrokken en was dat einde DWSV. (Voor het volledige verhaal Google DWSV geroyeerd)    



Site nog niet volledig. Wordt nog aan gewerkt.