Beenzwartfabriek Hogelanden Oostzijde. (Info Utrechts archief en krantenberchten.)

De Benenkluif in Utrecht werd opgericht in 1827 door Arnold Willem de Visser (1792-1837) en was gelegen aan de Hogelanden Oostzijde aan de Vecht. Het was de eerste fabriek voor beenzwart in Nederland. De fabriek werd gesticht om beenzwart te produceren, een product dat was vervaardigd uit dierenbotten en werd gebruikt voor het ontkleuren van suiker in raffinaderijen.

Officieel stond de fabriek bekend als de firma Wed. P. Smits en Zoon (later), maar in de volksmond werd het vaak aangeduid als 'Benenkluif', vanwege de grote hoeveelheid botten die er zijn verwerkt.
Het bedrijf stond bekend als een "stinkfabriek" die veel hinder veroorzaakte, maar speelde een belangrijke rol in de vroege industriële suikerraffinage.

Op 22 september 1849 legde de zoon van directeur G.W. Smits de eerste steen voor de nieuwbouw, en al snel was de fabriek herbouwd. Toen de eigenaar P. Smits in 1853 overleed, nam zijn weduwe de verantwoordelijkheden op zich. Het bedrijf werd vanaf dat moment bekend als de chemische fabriek Weduwe Smits en Zoon.

In de volksmond werd de fabriek benenkluif of kluif genoemd. Bijna iedereen die voor 23 juli 1965 in Utrecht woonde, weet nog wel wat die fabriek voor overlast heeft veroorzaakt. Jarenlang zijn de omliggende woonwijken geteisterd door stank, grote vliegen en ratten.

De fabriek behoorde indertijd tot de belangrijkste industrieën van Nederland en nam op het gebied van de chemische industrie een bijzondere plaats in. In 1827 stichtte de heer A. W. de Visser de beenzwartfabriek, die na de ontdekking van het ontkleuringsvermogen van beenzwart gebruikt kon worden door de suikerindustrie. Al vrij snel kreeg de jonge fabriek opdrachten van suikerraffinaderijen en kandijfabrieken.

Het bedrijf gebruikte in die tijd 32 paarden om de machines operationeel te houden. Op de zolder lag een grote hoeveelheid hooi voor de dieren. Er brak een brand uit door hooibroei, waardoor een deel van de fabriek in vlammen opging. Het complex werd opnieuw opgebouwd. Door veranderingen in de bedrijfsvoering werden de beenzwart- en de zwavelzuurfabriek gescheiden bedrijven. De beenzwartfabriek ging een grote bloei tegemoet.

Nazaten van de heer Muller hadden leidinggevende functies in het bedrijf. Veertien jaar voor de eeuwwisseling nam het gebruik van beenzwart in de suikerindustrie af door de uitvinding van ontkleuringsmiddelen. De fabriek schakelde toen over op het fabriceren van beenderlijm.

Toen de omgeving werd volgebouwd, ontstonden er moeilijkheden met die bewoners door de stank en grote vliegenplagen. Veel kon de fabriek daar niet aan doen; zij was aan banden gelegd door uitbreidingsplannen van de gemeente. In 1960 kocht de gemeente het fabriekscomplex, wat het einde van de beenzwartfabriek in Utrecht betekende.

Van de trots van de Utrechters over de fabriek was de laatste jaren niet veel meer overgebleven. De fabriek werd opgericht in het hart van de weilanden, maar door de bebouwing kwamen de huizen steeds dichter bij de fabriek. Aan het einde van de vorige eeuw was dat nog niet zo problematisch, omdat de kleine huisjes die aan de Hogelanden O.Z. werden gebouwd, slechts een klein aantal bewoners hadden De narigheden begonnen pas goed na de Tweede Wereldoorlog, toen er oostelijk van de fabriek, op enkele tientallen meters afstand, tientallen flats werden gebouwd.

Met de in ons land overheersende westelijke winden kregen de bewoners van deze huizen het meest te verduren en hebben zij de kat ook de bel omgehangen Maar de heer Muller stelde: zij zijn naar mij gekomen en ik niet naar hen. Dat is geen kritiek op de mensen zelf, maar meer op de stadsplanners van Utrecht. Er was iets mis met dat verwijt, hoewel dan ook weer moet worden overwogen dat Utrecht toen op ongunstig gelegen gronden bij de Treublaan zat en daardoor niet veel keuze had voor de grond, aangezien de gemeente toen nog in zijn oude grenzen was gebonden.

De beenzwartfabriek vierde zijn 100- en 125-jarig bestaan aan de Hogelanden O.Z. Tijdens dat laatste jubileum was het al duidelijk dat de fabriek de stad zou verlaten. Op 23 juli 1965 werd de productie stopgezet en startte de ontmanteling van de fabriek. De machines werden gedemonteerd en werden naar de schroothandelaar gebracht. De gebouwen zijn eveneens afgebroken.

De gemeente heeft vier en een half miljoen gulden neergelegd om de fabriek uit Utrecht weg te krijgen. Dat was veel geld, maar de buurt was opgelucht. Het bedrijf is in 1965 naar Vuren aan de Waal verplaatst. Van de 195 werknemers is maar een klein aantal meegegaan. De ratten zijn gebleven, die trokken de wijk in, daar hebben we nog veel last van gehad.



Luchtfoto van de Hoogelanden Oostzijde, met op de voorgrond de Vecht. In het midden de Benenkluif. De fabriek lag gunstig, want de Vecht was de snelste waterverbinding van Utrecht met Amsterdam. Toen in 1863 tussen Utrecht en Amsterdam treinen gingen rijden, kreeg de beenzwartfabriek een losplaats bij de Vechtspoorbrug. 

Toen in 1892 het enkelspoor over de Vechtbrug was vervangen, werd de Vechthalte opgeheven. De fabriek kreeg toen een eigen verbinding, zodat voortaan op het fabrieksterrein gelost en geladen kon worden. Vanaf de Tripkade (Tuindorp) ging de trein via een afslag op een ander spoor. Om daarna over een onbewaakte overgang aan de Inundatiekade naar de Benenkluif te rijden. Om de oversteek veilig te te maken liepen er 2 mensen met een rode vlag voor de langzaam rijdende trein uit. De beenderen werden handmatig gelost. Zo kon het wel een paar dagen duren voor een wagon leeg was. Dan was het onder de wagons wit van de maden.

De beenderen werden opgeslagen in loodsen. De muur van deze loods heeft het door de druk van de beenderen begeven. Rechts wordt een noodschutting geplaatst. 

De sloopfirma kreeg voor de sloop fl 88.444.

Sloop van de Benenkluif, artikel uit de Oud-Utrechter.

Voor de kinderen was het eigenlijk heel spannend de Kluif afgebroken te zien worden. De grote zomervakantie hebben ze toen goed gebruikt. Uit de grote blinde muur van de kluif aan de Treubstraat sloopten wij stenen. Elke dag weer, totdat wij op een dag door het gat naar binnen konden sluipen. Regelmatig gingen wij met vriendjes de Kluif in, wat ontzettend spannend was; je wist immers nooit wat je tegen kon komen. Je moest wel alles goed in de gaten houden, want er liepen bewakers rond op het terrein. Op een bepaald moment, toen wij weer bezig waren met vooral rotzooi trappen, zagen wij plotseling een bewaker aankomen, luid schreeuwend en wijd gebarend met zijn armen. Natuurlijk gingen we er als een speer vandoor, want we schrokken ons een hoedje om gepakt te worden. Zo hard mogelijk rennen, met die bewaker schreeuwend achter ons aan. Er lagen daar op het terrein allemaal nog ‘witte bergen’ van waarschijnlijk gemalen botten. Wij klommen er snel tegenop, vandaar dat we op de golfplaten daken sprongen, die vol asbest zaten. We ontsnapten via het dak. Een vriendje was minder fortuinlijk, zakte pardoes door een van die asbestplaten heen en werd zodoende in zijn kraag gegrepen. Elke dag waren wij bezig om steen voor steen, dakpan voor dakpan te slopen. Met een hele groep hebben wij zelfs een enorme muur staan omduwen. Achteraf levensgevaarlijk, maar dat kwam niet in ons op.

Naam schrijver onbekend.

Volgens een krantenbericht was het spelen op het benenkluifterrein niet zonder rosico's. Enkele kinderen speelden bij de bouwvallen en puinhopen op het sloopterrein. Terwijl ze zich vermaakten met het doen waggelen van de resterende muren, viel een gedeelte van de muur om, waardoor een tienjarig jongetje dodelijk getroffen werd.

Maak jouw eigen website met JouwWeb