Ga direct naar de hoofdinhoud
De polder, door Joop Goslinga.
Zoals bekend was onze vader schillenboer in de stad Utrecht.
Zelf vond ik het een smerige en schooierige baan. Maar ja, hij moest wel, want hij had een jong gezin. In de oorlogsjaren en vlak daarna was hij landarbeider en heeft hij gewerkt bij verschillende tuinders. Maar zijn ziekte nekte hem, en hij werd weinig of nooit meer aangenomen, omdat hij zo vaak ziek was. Onze pa had astmatische bronchitis en wel in een heel erg stadium. Ik kan me herinneren dat hij zo erg naar adem snakte, dat mijn moeder er angstig van werd.
Veel goede medicatie was er toen nog niet en wat er was, werd niet vergoed. Maar Pa had altijd een gezegde en dat was: ik heb twee klauwen aan mijn lijf en zolang ik die heb, zal ik werken. De schooierskeet zal mij niet van binnen zien. Hoe hij schillenboer is geworden, weet ik niet; daar was ik te jong voor. Wel dat hij een schuur huurde op de boerderij van de gebroeders De With aan de Achttienhovensedijk.
Maar snel had pa een andere ruimte gevonden. Daar kon hij het achterhuis, de koeienstal met hooiberg en nog twee schuren en een bunder van een hectare weiland huren. Vooral dat weiland was heel belangrijk, want dan kon hij in de zomer het paard in de wei laten grazen. Het land was van familie De Groot, een melkhandel uit de Van de Mondestraat.
De huur bedroeg 5 gulden in de maand.
Er was geen Electra, alleen een waterkraan, maar voor dat geld mocht Pa niet zeuren. Nog een voordeel was dat nu ook nog wat bijverdiend kon worden met het vetmesten van slachtkalveren en varkens. Er was eten genoeg voor die dieren, want de schillen die hij ophaalde gingen voor het merendeel naar zijn dieren. De rest verkocht hij aan de gemeentelijke veemarkt. Ze werden daar bij de gemeente weleens boos over, maar dan zei hij: wie heeft dit opgehaald, jullie of ik? Van jullie heb ik de slechtste schillenwijk gekregen. En dan nog zeuren! Krijg maar……..”
Dan gebruikte hij een vloek of een ziekte.
Nu een van de vele belevenissen die wij in die polder en bij de stal beleefden. In de zomermaanden gingen er regelmatig wat jongens van de familie Hoeijen mee om in de polder rond te scharrelen en slootje te springen. Dat waren meestal Frans en Piet. Als het paard was uitgespannen en de wagen leeggemaakt, bleef er weleens wat tijd over om de polder in te gaan.
De grote sport was natuurlijk slootje springen. Ik zelf was zo’n stijve hark en een figuur zonder lef, die als hij meeging zeker was van een nat pak. De gebroeders Hoeijen en mijn broers waren er beter in. Maar het gebeurde ook weleens dat ook Frans Hoeijen in de sloot terechtkwam en een nat pak haalde.
Mijn vader had in het weiland een gat gegraven (eigenlijk: laten graven door de zonen), waarin hij afval verbrandde. Frans was niet dom en legde zijn natte broek op een van de nog te verbranden sinaasappelkisten om zijn broek te laten drogen.
Om de tijd te doden en niet ziek te worden, ging hij zelf in de stal zitten. Na ongeveer een uur ging hij terug naar de brandstapel om te kijken of zijn broek droog was. En dat was-ie! Maar wel zwart geblakerd en deels verbrand.
Maar ons Fransje was niet dom, o nee, zeker niet! Hij ging de stal weer in en sneed met een scherp mes het verbrande deel van zijn broek af. Zo, zei hij, niet mijn hele broek is naar de …, maar met een beetje geluk heb ik nu nog een korte broek.
Wij lachen natuurlijk, maar of er thuis hard werd gelachen? Zeker weten van niet. Want toen hij thuiskwam, kon zijn moeder de broek niet meer redden. Dus kreeg Frans gelijk; hij had nu een korte broek. Dit soort herinneringen aan de Roode Brug-buurt zijn me altijd bijgebleven.
Maak jouw eigen website met JouwWeb